Als je een repertoire instudeert voor een concert, is de kans groot dat je dezelfde muziek ook regelmatig op andere concerten speelt. Je steekt tijd en energie in een compositie en dat wil je aan verschillende luisteraars overbrengen. Naarmate je hetzelfde stuk vaker op het podium speelt, zul je merken dat je groeit en dat het je steeds gemakkelijker af gaat. Je bent meer in staat om los te laten en echt te genieten van de muziek. Je staat dan volledig boven de materie.

Maar daarmee verandert ook de beleving van de muziek. Als je iets voor de eerste keer speelt kun je er helemaal in opgaan. Je voelt de muziek heel intens en het is spannend om te spelen. Je bent in volledige staat van alertheid. De tweede keer kan het al veel moeilijker zijn om dezelfde intensiteit te ervaren omdat je het al eens eerder hebt meegemaakt. Dan voelt het anders.

Daarbij speelt de omgeving ook een belangrijke rol.

Het is heel bepalend welke sfeer er in de zaal hangt, hoe het licht valt en de akoestiek klinkt, of je goed op het podium staat of niet, welk publiek er komt luisteren. Dat heeft allemaal invloed op hoe je de muziek beleeft en overbrengt.

Daarom is elk optreden anders, ook al speel je hetzelfde repertoire. Dat maakt musiceren zo bijzonder. Het vereist echter ook flexibiliteit van de musicus. Je moet je telkens kunnen aanpassen om de muziek overal tot haar recht te laten komen. Maar als je in staat bent mee te bewegen met de omgeving, dan maak je het jezelf gemakkelijker.

Je kunt bijvoorbeeld vooraf de zaal nauwkeurig verkennen. Loop er doorheen, voel de ruimte en je plek op het podium. Is dat comfortabel? Waar zit het publiek? Te dichtbij, te ver weg misschien? Dan kun je dat wellicht aanpassen. Welke mensen komen er binnen? Hoe voelt de energie? Als je dat van te voren bewust observeert kun je je intunen op de situatie en maak je jouw plek eigen op het podium. Dan werkt de omgeving met je mee en kun je je helemaal overgeven aan het moment en de artiest zijn die je werkelijk bent.